Juliaan Lampens’ architectuur situeert zich binnen het naoorlogse modernisme, maar ontstond altijd in relatie tot context en gebruik. Beton, glas en hout vormden de materiaalkeuze om ruimtelijkheid precies te bouwen. Lampens werkte liefst met ter plaatse gegoten beton, vaak in houten bekisting, waarbij de malafdruk bewust zichtbaar bleef en vandaag als brutalisme wordt bestempeld. Maar voor Lampens was het geen label, maar een intuïtieve werkwijze: grenzen testen, materialen tonen, muren beperken, zichtlijnen verlengen, licht oriënteren. Zijn vaak herhaalde zin “Je moet van een kleine woning een grote maken” vat die ambitie samen: bouwen om ruimte voelbaar te openen, niet om volume te vullen.
Vanaf eind jaren 1950 verliet Lampens het traditionele Vlaamse woonmodel. Die omslag was geen manifest/doctrine, wel een zoektocht naar wonen zonder barrières. In zijn denken en maken kruisten uiteenlopende invloeden elkaar. Hij bewonderde Le Corbusier om de spontane, expressieve omgang met massa en materiaal. Tegelijk boeide Mies van der Rohe hem door precisie, maatvoering en open plan helderheid. Geen compromis, wel spanning en balans tussen twee registers. Daarnaast voeden romaanse kerken en de betonnen bunkers van de Atlantikwall zijn inspiratie. Oscar Niemeyer, ontdekt in 1947 via L’Architecture d’Aujourd’hui, toonde hem het potentieel van organische betonvormen. Expo 58 bevestigde dat traject. In Lampens’ handen kreeg beton een eigen logica: gesloten naar de straat, open naar horizon en tuin, georiënteerd op licht en beweging.
Telkens wanneer ontwerpvrijheid volledig mogelijk was, werd beton gekozen. Twee woningen tonen dat scherp. Woning Vandenhaute (1967) met zijn open plan en woning Van Wassenhove (1974) als betonnen sculptuur, waarin landschap via glas de ruimte mee vormt. In andere opdrachten, pragmatisch “brood op de plank” werk, bleef de taal herkenbaar: strakke horizontale lijnen, precieze verhoudingen, minimale maar krachtige details. Soms werd baksteen of Scheldesteen ingezet, uit noodzaak of expliciete wens van opdrachtgevers.
In de bibliotheek kreeg Lampens volledige ontwerpvrijheid. “De pastoor gaf mij de vrije loop,” vertelde Lampens over de bibliotheek in Eke. Die uitzonderlijke vrijheid, zeldzaam voor een openbaar gebouw, bood hem de kans om een van zijn meest sculpturale projecten te realiseren. Voor Lampens belichaamde het gebouw een synthese van zijn denken: een open ruimte, sculpturaal en eerlijk materiaalgebruik en radicale eenvoud die een nieuwe manier van samenleven mogelijk maakten. Het is een gebouw waar het dorp vanzelf samenkomt, in een gedeelde ruimte die de rol van dorpskamer opneemt. In de directe omgeving van de bibliotheek is Lampens zichtbaar aanwezig. In de Stationstraat om de hoek zie je zijn eigen woning met bureau. In dezelfde straat staan nog drie woningen die hij tussen 1960 en 1973 ontwierp. Samen vormen ze een kleine concentratie van zijn vroege werk, zichtbaar voor wie van het station richting bibliotheek wandelt. Ze behoren niet tot zijn meest radicale ontwerpen, maar door hun strakke lijnen, zorgvuldige proporties en materiaalgebruik onderscheiden ze zich meteen van de omliggende bebouwing. In een verder typisch Vlaamse dorpskern, waar monotonie vaak overheerst, vormen Lampens’ woningen een duidelijke architecturale meerwaarde en tonen ze hoe de dagelijkse context waarin de architect leefde en werkte het dorp mee vormgaf.
Lampens voerde zijn meest radicale ontwerpen uit in ter plaatse gegoten beton, vaak in houten bekisting (coffrage). Geen panelen, geen prefab, wel gieten, kisten en bouwen op de plek zelf, waar de afdruk van de bekisting zichtbaar bleef en deel werd van de architectuur.
Ook in de bibliotheek is die beton-imprint kenmerkend en vormt ze de ruimtelijke identiteit van het gebouw. In het grootste deel van de voorgevel zijn de bekistingsplanken horizontaal geplaatst, behalve bij de driehoek links onderaan. Daar volgen de planken de schuine zijde, wat de gevel extra ritme geeft en de opwaartse beweging van de trap erachter benadrukt. Aan het eerste bordes van de buitentrap voorzag Lampens in een opening in de linkerzijgevel om een zichtlijn te creëren naar het kerkplein (met de Sint-Amanduskerk) en een licht- en schaduwspel op de sculpturale voorgevel van de bibliotheek. De toegang wordt voorafgegaan door een uitgesproken architecturaal gebaar: een betonnen luifel die wordt gevormd door de buitentrap naar de eerste verdieping. Ook de achtergevel is opgetrokken in ruw zichtbeton met horizontale bekistingsafdrukken.
De omgeving waarvoor Lampens bouwde, de context die een plek maakt tot wat ze is, was steeds van belang. Hij wilde mensen een ruimtelijkheid geven die ver af lag van conventionele planoplossingen en het verwachtingspatroon waarbinnen wonen doorgaans wordt gedacht.
Ruimtelijkheid begint bij het landschap, bij de context: de vrije ruimte, waar de geest nog vrij spel krijgt, is belangrijker dan het volume zelf. Ruimtelijke grenzen, oriëntatie, uitzicht, economisch gebruik van het terrein, rust en drukte bepalen waar het goed is om te vertoeven; aan de straatzijde bakenen wanden de ruimte af en versterken ze het karakter van de plek. In 1970 koos Juliaan Lampens, midden in de dorpskern van Eke, voor ruw zichtbeton en geometrische, sculpturale volumes. De bibliotheek contrasteerde sterk met de omliggende bebouwing en bood een vernieuwend perspectief op wat een publieke ruimte kon zijn. Lampens benaderde het gebouw als een totaalontwerp. Behalve de architectuur ontwierp hij ook het volledige interieur en meubilair. Alles werd afgestemd op het geheel: in vorm, materiaal en sfeer.
Detail is bij Lampens geen afwerking, maar een ontwerpinstrument. Zijn aandacht voor constructieve details gaat terug op de schrijnwerkerij van zijn vader, waar werken op ware schaal vanzelfsprekend was, en waar proportie meteen leesbaar werd. Lampens tekende details vaak op ware grootte: ramen, deuren en aansluitingen werden uitgewerkt in grote snedes, waarbij grafiek, lijndikte en maatvoering het ruimtelijk denken al in het detail verankerden.
In het werk van Juliaan Lampens staat eenvoud centraal. Hij schrapte bewust alles wat niet nodig was, tot alleen het wezenlijke overbleef. Wat zichtbaar is, is functioneel en sober. Het vraagt geen aandacht, maar draagt bij aan de samenhang en de sfeer van het geheel. Door die terughoudendheid krijgen materialen, vormen en details hun volle betekenis. Eenvoud wordt zo geen beperking, maar een kracht.
Die zoektocht naar eenvoud blijft bij Lampens nooit abstract. Ze wordt zichtbaar in de manier waarop hij gebouwen vormgeeft en in het straatbeeld plaatst. Dat is meteen duidelijk aan de voorgevel van de bibliotheek, die sculpturaal, onconventioneel en helder gearticuleerd is. Lampens bouwde de gevel op uit driehoeken en vierkanten, met een buitentrap en zorgvuldig geplaatste doorzichten. Zo ontstaat een semipublieke ruimte die de overgang markeert tussen straat en bibliotheek. Achteraan sluit een kleine binnentuin aan op de leeszaal, met een betonnen zitbank en plantvakken. Ook de vrijstaande garage met ronde schoorsteen behoort tot het geheel. De gevel is uitgevoerd in gewapend beton, waarin de houtstructuur van de bekisting zichtbaar bleef. In het grootste deel van de voorgevel zijn de bekistingsplanken horizontaal geplaatst, behalve bij de driehoek links onderaan. De toegang wordt voorafgegaan door een betonnen luifel die wordt gevormd door de buitentrap naar de eerste verdieping. In de vloer van dit overdekte portaal liet Lampens langs de wanden smalle spleten en halve cirkels open, als plantenvakken. Helemaal rechts in de gevel is de dubbele glazen toegangsdeur, met een bijzondere deurknop: twee houten halve bollen met uitsparingen als handgreep. Ook de achtergevel is opgetrokken in ruw zichtbeton met horizontale bekistingsafdrukken. Hij wordt ter hoogte van de eerste verdieping, boven het venster, doorbroken door een grote en ronde betonnen buis waarlangs het regenwater via een stalen ketting naar beneden liep.
Functionele ornamentiek volgt uit Juliaan Lampens’ ideeën over ornament en functie. In zijn architectuur streeft hij ernaar om elk ornament een functie te geven. Geen versiering om de versiering, maar een vorm die ontstaat vanuit het gebruik. Ornamentiek groeit uit noodzaak en maakt deel uit van de constructieve en gevoelsmatige logica. Lampens verzet zich tegen camouflage: alles moet zichtbaar blijven. Hij streeft naar een architectuur die als het ware af is met ruwbouw, gebouwd met onbehandelde materialen. “Onbehandeld” zoals de natuur zelf. Volledige ruwbouw is onmogelijk, maar hij zoekt naar een architectuur zonder verhulling, beheerst en tegelijk mild, waarin functionele ornamentiek vanzelf ontstaat. De architectuur van Juliaan Lampens bevat talrijke voorbeelden van functionele ornamentiek.
In bijna al zijn woningen gebruikt hij spuwers die het regenwater van het dak afvoeren, vaak richting een vijver. Deze spuwers zijn functioneel, maar tegelijk plastisch vormgegeven. In sommige woningen zijn rond de ramen keien aangebracht. Ze geven het gebouw een uitgesproken plastisch karakter, maar vervullen tegelijk een praktische functie: door de keien te verwijderen kunnen de raamoppervlakken eenvoudig worden vervangen. Ook de ronde betonnen elementen in de tuin zijn functioneel en doen dienst als bergplaatsen voor tuinmateriaal. Ook in de bibliotheek van Eke is functionele ornamentiek aanwezig. De waterspuwer, de geïntegreerde plantvakken en het vaste meubilair zijn geen losse accenten, maar maken deel uit van dezelfde benadering waarin functie en vorm samenvallen.
Met gevoelsmatige logica bedoelde Lampens een manier van ontwerpen die vertrekt vanuit wat ruimtelijk juist aanvoelt. Vaak is er geen exacte reden waarom elementen zo worden vormgegeven; ze zijn eenvoudig en vanzelfsprekend, en precies daardoor logisch. (Niet regels of symmetrie bepalen de vorm, maar een innerlijke samenhang tussen ruimte en handeling.
Ook in de bibliotheek van Eke is die gevoelsmatige logica tastbaar. De open ruimte, de plaatsing van lichtkoepels en het vaste meubilair organiseren het gebruik zonder het vast te leggen. Dat geldt evenzeer voor de verlichting: de lampen zijn schijnbaar intuïtief in het plafond geplaatst, zonder zichtbare armaturen, maar zorgvuldig gepositioneerd op plekken waar licht nodig is om te lezen of te werken.
Het verhaal van de bibliotheek aan de Steenweg in Eke (Nazareth-De Pinte) begint lang voordat het eerste beton werd gestort. In 1923 richtte de parochie de kleinschalige Sint-Lutgardisbibliotheek op, die boeken en cultuur dichter bij de Eekse gemeenschap wilde brengen. In die periode namen lokale, vaak verzuilde organisaties, zoals parochies en verenigingen, in heel Vlaanderen het voortouw in de oprichting van bibliotheken als middel tot volksverheffing.
Sinds 1923 vond de collectie onderdak in de meisjesschool in een soort spelonk op de speelplaats van de vrije meisjesschool, onder toezicht van juffrouw Elzina Claeys. Eind jaren 50 verhuisden de boeken naar de conciërgewoning van de parochiezaal (Steenweg 92, waar vandaag CC Nova gevestigd is). Tegen het begin van de jaren 1960 was de collectie uitgegroeid tot zo’n 2000 werken en was de ruimte te klein en ongeschikt voor de verdere groei.
In 1970 besloot de vzw Vereniging der Parochiale Werken van de dekenij Nazareth – met pastoor-deken Alberic Ryckaert als voorzitter, bijgestaan door pastoor Noël Schoorens en onderpastoor Marcel De Cock – tot de bouw van een nieuwe bibliotheek. De parochiezaal zou worden verbouwd en uitgebreid met een parochiale kring en een conciërgewoning. De bibliotheek, de burelen en een kleine vergaderzaal moesten verhuizen. Dankzij een legaat van mevrouw Hector Vanden Bossche-De Vogelaere kon op een centrale locatie een perceel bouwgrond aangekocht worden. De verkoopovereenkomst werd verleden op 29 september 1970. Nog vóór de officiële beslissing van de vzw en de aankoop van het perceel begon de voorbereiding volop.
Op 12 maart 1970 werd een architect aangesteld: dat werd de 44-jarige dorpsgenoot Juliaan Lampens. Die had inmiddels naam gemaakt met zijn vooruitstrevende woonhuizen in ruw beton. De opdracht kreeg een persoonlijke toets: Lampens’ echtgenote Diana Van Hove was goed bevriend met pastoor Schoorens, die hem de volledige artistieke vrijheid gaf. Dat vertrouwen was uitzonderlijk en bood hem de kans om in zijn geboortedorp een uitgesproken modernistisch publiek gebouw te realiseren. De opvallende keuze voor Lampens getuigde van een vooruitziende blik van de pastoor: hij koos niet voor een conventionele stijl, maar voor architecturale vernieuwing.
Op 18 maart 1970 diende Lampens een eerste ontwerp in. Het plan viel op door zijn radicale vormgeving, met onder meer cirkelvormige volumes, een monumentale inkompartij en een open, vrij indeelbare plattegrond. Het werd geweigerd op stedenbouwkundige gronden en in juni diende Lampens een aangepast ontwerp in. Dat voorzag in een halfopen bebouwing met twee bouwlagen onder een plat dak. De volledige gelijkvloerse verdieping werd ingericht als bibliotheekruimte, terwijl er op de bovenverdieping een open multifunctionele zaal was bedoeld als jeugdclub met een kleine keukennis. Opvallend is de integratie van het sanitair: het toilet van de jeugdclub werd ingebouwd in de ontdubbelde voorgevel en hangt boven de inkomhal van de bibliotheek, ter hoogte van het tweede bordes van de buitentrap. Dit tweede, goedgekeurde ontwerp vormde de basis voor de uitvoering.
Aannemer Maurice Speybroeck leidde de bouw, waarvoor Lampens uitzonderlijk gedetailleerde plannen afleverde, ook voor het interieur. Het schrijnwerk en meubilair werden uitgevoerd door de Eekse firma Firmin Reynvoet. De bibliotheek werd op 30 december 1971 ingehuldigd en op 2 januari 1972 geopend voor het publiek. Al snel was ze meer dan een uitleenpunt: dit werd een kleine dorpskamer waar mensen elkaar vanzelf ontmoetten. De bovenverdieping werd gebruikt door lokale verenigingen, jeugdwerking 9731, het bibliotheekpersoneel, de Academie voor Schone Kunsten en later ook de vzw Juliaan Lampens. De bibliotheek weerspiegelt de geest van de jaren 1970, waarin overheid en parochie de ambitie koesterden om cultuur dichter bij de mensen te brengen, ook in kleinere dorpen. Het ontwerp belichaamt het vooruitgangsdenken: de overtuiging dat architectuur het dagelijkse leven kan verrijken en gemeenschappen kan verbinden. Publieke gebouwen in een dergelijke uitgesproken modernistische vormentaal zijn in Vlaanderen schaars. In de jaren 1990 volgden er renovaties, maar het bezoekersaantal bleef dalen door de nieuwe en grotere bibliotheek die er intussen is in Nazareth. In 2014 werd de bibliotheek van Eke gesloten; op 28 juni namen bewoners afscheid tijdens een laatste feestelijke dag.
Bibliotheek Lampens is een totaalconcept. De kracht van dit totaalconcept, waarin alles, van structuur tot meubilair, op elkaar is afgestemd, zit ook in het interieur. De gelijkvloerse verdieping werd als bibliotheek ingericht en is opengewerkt, met ruwe betonsteen aan de zijwanden en een houten bekleding in de voor- en achtergevel. Een van de meest kenmerkende aspecten is de omgang met licht. Vijf ronde openingen in het houten plafond zijn afgedekt met lichtkoepels die als daklichten fungeren voor de leeszaal en de boekenzone achteraan. Overdag laten ze zachte cirkels van natuurlijk licht binnenvallen, wat een serene sfeer creëert.
Het plafond is afgewerkt met planken in rode Noorse den, verbonden met tand en groef en onzichtbaar genageld. De bekleding loopt vloeiend over in de muren, waardoor de hoeken afgerond zijn. Deze naadloze overgang tussen wand en plafond, de cirkelvormige koepels en ook de plafondlampjes doen denken aan de Viipuri-bibliotheek van Alvar Aalto in Vyborg, die Lampens mogelijk heeft geïnspireerd. Voor plekken zonder daglicht bedacht Lampens een subtiele vorm van kunstlicht. Boven de balie bracht hij een cluster kleine gloeilampen aan met een afgeplatte bol en zonder armaturen; zij lijken rechtstreeks uit het plafond te groeien. Het resultaat is een diffuus, schaduwloos licht dat ideaal is om te lezen en tegelijk opgaat in de architectuur. De ingetogen verlichting sluit perfect aan bij de modernistische esthetiek van het gebouw: geen franjes, geen decoratie, enkel puurheid en functie. Als afsluiting van het grote raam aan de binnentuin en van de leesruimte werd een gordijn met verticale lamellen geplaatst. De gordijnroede is naadloos in het plafond verwerkt en loopt in één rechte lijn door over beide delen. De vloer was oorspronkelijk bekleed met een geknoopt sisaltapijt, een natuurlijke vezel die aansloot bij de eerlijke materiaalkeuze van het interieurontwerp.
Juliaan Lampens werd geboren op 1 januari 1926 in De Pinte, net ten zuiden van Gent. Hij was de zoon van Ekenaar Armand Lampens en Anna Van Bellegem. Hij groeide op in een eenvoudig gezin waarin vakmanschap en materialen centraal stonden: zijn vader runde een schrijnwerkerij en houtzagerij aan huis. Die omgeving voedde al vroeg zijn fascinatie voor bouwen, vormen en techniek. Als jonge tiener raakte hij geboeid door moderne architectuurstromingen. In 1947 kocht hij zijn eerste exemplaar van het tijdschrift L’Architecture d’Aujourd’hui, met daarin een special rond het Braziliaans modernisme van Oscar Niemeyer. Het was een openbaring: de kiem voor zijn latere architectuurvisie was gelegd.
Lange tijd bleef Lampens relatief onbekend bij het grote publiek, ondanks zijn invloedrijke werk en de huidige waardering binnen architectuurkringen. Zijn compromisloze stijl sloot niet aan bij de gangbare architectuur in België, en Lampens zocht zelf ook zelden de aandacht op. Hij was geen man van de spotlights: publiciteit interesseerde hem nauwelijks en hij werkte liever in alle rust aan opdrachten die op zijn pad kwamen. Daarnaast was hij een uitgesproken Einzelgänger. Hij reisde weinig, onderhield amper contact met vakgenoten en volgde zelden architecturale trends. Zijn werk ontstond vanuit een persoonlijke visie, wars van modes of verwachtingen. Maar vanaf de jaren 2000 begon de waardering te groeien. Vandaag wordt zijn werk internationaal erkend en genoemd naast dat van andere grootmeesters van het modernisme en brutalisme.
Tot op hoge leeftijd bleef Lampens actief. Hij woonde en werkte in zijn woning in Eke, een gebouw dat hij zelf ontwierp en waar ook zijn archief werd bewaard. Op 6 november 2019 overleed hij op 93-jarige leeftijd. Zijn erfenis leeft voort in zijn unieke gebouwen waarvan er intussen meerdere beschermd zijn.
Naast zijn carrière als architect speelde Juliaan Lampens een belangrijke rol in het Vlaamse architectuuronderwijs. Vanaf het midden van de jaren 1970 was hij verbonden aan het Hoger Architectuurinstituut Sint-Lucas in Gent. Hij gaf er les tot zijn pensioen begin jaren 1990, eerst als studiomeester en later als hoogleraar. In die jaren inspireerde hij een hele generatie jonge ontwerpers met zijn onconventionele benadering van architectuur en zijn uitgesproken ideeën over ruimte, materiaal en licht.
Lampens stond bekend als een zwijgzame, maar alerte begeleider. In plaats van kant-en-klare oplossingen te bieden, moedigde hij zijn studenten aan om zelf te onderzoeken, te schetsen, te proberen en te twijfelen. Hij stelde vragen in plaats van antwoorden te geven, en liet zijn studenten vooral kijken, voelen en doen. Zijn studio’s draaiden om intensief ontwerpend denken: niet praten over architectuur, maar het maken en beleven ervan. Daarbij speelde het vrije handtekenen een cruciale rol. Lampens tekende zelf constant en beschouwde tekenen als een essentieel instrument om ruimtelijk te denken.
Zijn pedagogiek weerspiegelde zijn eigen architectuurpraktijk. Hij leerde zijn studenten om gebouwen te ontwerpen vanuit hun materiële logica en beleving. Eerlijke constructie, het gebruik van zichtbare materialen zoals ruw beton en onbehandeld hout, de rol van daglicht en de relatie tot de omgeving waren voor hem geen stijlmiddelen, maar fundamenten van een goed ontwerp. In zijn begeleiding spoorde hij studenten aan om overbodige franjes weg te laten en te zoeken naar de essentie van de ruimte.
Hoewel Juliaan Lampens nooit een formele ‘school’ oprichtte, is zijn invloed duidelijk herkenbaar in het werk van vele architecten. Generaties studenten aan Sint-Lucas Gent werden geraakt door zijn visie, zijn stilte en zijn radicale eenvoud. Onder zijn oud-studenten vinden we Marie-José Van Hee, Paul Robbrecht, Hilde Daem, Stéphane Beel, Vincent Van Duysen, Jo Van Den Berghe, Luc De Vos, Koen Dekeyser en Ferdinand Schlich.
Velen onder hen getuigden later over de impact die zijn manier van denken had op hun eigen praktijk. Ook architecten die nooit rechtstreeks les van hem kregen, zoals Wim Cuyvers, het duo Coussée & Goris, Xaveer De Geyter, Jan De Vylder en Jo Taillieu lieten zich inspireren door zijn oeuvre en vormentaal. De invloed van Lampens overstijgt generaties: zijn werk spreekt en blijft spreken.
Sinds 1970 dient de driehoekige houten kruk, oorspronkelijk ontworpen door Juliaan Lampens voor de bibliotheek in Eke, als een universeel meubelstuk. Hij functioneert als zitplaats, salontafel en prullenbak. Lampens ontwierp dit meubelstuk in diverse, grotere formaten, zodat het ook als tafel- of bureauelement kon worden gebruikt. In een latere fase werd de kruk verder verkleind om hem gemakkelijker op te pakken. Het ontwerp ontstond intuïtief: een schets volstond om het object uit te voeren. Door functies te stapelen en de vorm te reduceren tot het noodzakelijke, bleef enkel het essentiële over.
Een van de meest kenmerkende aspecten in het oeuvre van Juliaan Lampens is de omgang met licht. Daglicht wordt binnengebracht via grote raampartijen, verticale lichtstroken of lichtkoepels. Het licht valt nooit hetzelfde binnen; het verandert met het uur, het seizoen en het weer. Zo wordt licht een dynamisch onderdeel van de architectuur. Tegelijk gaf Lampens ook vorm aan kunstlicht. Dat oogt intuïtief geplaatst, maar is het resultaat van een precieze afweging: lampen markeren zones, sturen aandacht en ondersteunen gebruik. Vaak zijn ze rechtstreeks in het plafond gedraaid, zonder zichtbaar armatuur, zodat licht zelf het enige aanwezige element blijft.
Ook in de bibliotheek fungeert licht als structurerend principe. Vijf ronde lichtkokers brengen daglicht diep in de ruimte en verdelen de open plattegrond zonder muren. Overdag laten ze zachte cirkels van natuurlijk licht binnenvallen, wat een serene sfeer creëert. Waar daglicht ontbreekt, introduceerde Lampens een subtiele vorm van kunstlicht. Boven de balie groepeerde hij kleine gloeilampen met afgeplatte bol, die lijken te groeien uit het plafond. Het resultaat is een diffuus, schaduwloos licht dat ideaal is om te lezen en tegelijk opgaat in de architectuur. De verlichting is eenvoudig en precies, zonder decoratie of effect. Licht wordt hier geen toevoeging, maar een dragend onderdeel van het ontwerp.
Ook het vaste meubilair van de bibliotheek tekende Juliaan Lampens tot in de details uit. Vooraan in de ruimte plaatste hij een monumentale vaste balie in oregon pine. Die is opgebouwd uit drie grote massieve balken en een trapsgewijs gestapeld kastvolume en lijkt te zweven. In werkelijkheid zijn de delen verankerd in de vloer én aan elkaar met stalen H-profielen. Vanuit de strategisch opgestelde balie had de bibliothecaris zicht op zowel de in- en uitgang als de leeszaal. Ook de boekenplanken zijn vervaardigd uit oregon pine; ze vormen een dynamisch geheel dankzij hun ongelijke lengtes en verspringende posities. Lampens koos bewust voor variatie bij het begin- en eindpunt van de planken, waardoor het geheel levendig oogt. Hij ontwierp ook de boekensteunen, als integraal onderdeel van de boekenplanken.
Een bijzonder element is het geïntegreerde toiletvolume, een op zichzelf staande houten structuur midden in de ruimte. Tussen de voorgevel en de achterzijde van de balie plaatste Lampens een houten blok met eigen wanden en plafond, los van de rest van het gebouw. De zijde aan de ingang is afgerond, waardoor de circulatie zachter aanvoelt, terwijl de achterkant is afgesloten met een eenvoudige vlakke deur. Deze ‘doos in de doos’ fungeert niet alleen als functionele ruimte, maar werkt ook als een ruimtelijk accent: zonder muren op te trekken zorgt ze voor diepte en structuur in het interieur.
Zelfs de kapstokken, waarvan er nog zes bewaard zijn, zijn discreet geïntegreerd. Lampens gebruikte eenvoudige houten stiftjes die verzonken zijn in de wandbekleding. In totaal werden achttien van die subtiele haken aangebracht: bij de ingang, links en rechts van het toiletvolume, en achteraan in de ruimte. Ze zijn op twee hoogtes geplaatst, zodat zowel kinderen als volwassenen er gebruik van konden maken. Door hun vlakke inbouw verstoren ze het lijnenspel van de wand niet. Zelfs de betonnen zitbank in de patio werd op maat gegoten. Elk element had zijn plek en functie; niets was arbitrair.
Naast vast meubilair ontwierp Lampens ook losstaande meubels voor de bibliotheek in oregon pine: leestafels en bijpassende krukjes, samen met twee mobiele kinderboekenbakken. De tafels en krukjes hebben een herkenbare driehoekige vorm, met één open zijde om aan te zitten of staan. Kenmerkend zijn de afgeschuinde hoeken die de meubels een licht en speels karakter geven. Deze ontwerpen werden later iconische elementen in Lampens’ oeuvre. De stoeltjes functioneerden bovendien als opbergboxen wanneer ze op hun zijde werden gelegd. Voor de uitleenbalie ontwierp Lampens ook een bolvormige brieven- en potloodhouder en een ronde houten vuilnisbak. Al deze elementen zijn verloren gegaan. We kennen ze van archieffoto’s.
Natuur vormt een constant referentiekader in het werk van Juliaan Lampens. Hij zocht bij voorkeur grote percelen op, waar zichtlijnen, oriëntatie en openingen de relatie met het landschap maximaal konden versterken. Ramen en glaspartijen openen de woning naar tuin en horizon, terwijl gesloten gevels de straat weren. Ook in kleinere percelen of dichtere contexten bleef natuur richtinggevend. Via patio’s, gerichte doorzichten en lichtopeningen werd het buiten steeds deel van het interieur. Lampens ontwierp geen gecureerde tuinen, maar vertrok van wat aanwezig was.
In de bibliotheek van Eke werkt diezelfde logica door: licht, zicht en buitenruimte verbinden het gebouw met zijn dorpscontext en maken natuur voelbaar als onderdeel van het dagelijkse gebruik. Achteraan sluit via een groot schuifraam een kleine binnentuin aan op de leeszaal. Een deel van het terras werd in beton gegoten en kreeg een organische vorm, terwijl andere zones open bleven als plantenvakken, met een betonnen zitbank als vast element. Dit type organisch terras paste Lampens ook toe in verschillende woningen, als overgangszone tussen woning en natuur. Het vormt geen afgebakende tuin, maar een tussengebied waar architectuur en landschap in elkaar overgaan. De organische lijnen verwijzen naar vormen die ook voorkomen in zijn figuratieve vrouwentekeningen.
Bij Juliaan Lampens keren in verschillende projecten dezelfde ontwerpprincipes terug, die samen zijn herkenbare vormentaal en ruimtelijke ervaring bepalen. In vorm en ruimtelijkheid vertrekt hij vaak van compacte, bijna sculpturale volumes, waarin de spanning tussen open en gesloten zorgvuldig wordt georkestreerd: gesloten vlakken dragen het gewicht, terwijl openingen gericht licht en zicht toelaten. Exterieur en interieur vormen daarbij geen twee werelden, maar volgen één doorlopende ruimtelijke logica. Binnen resulteert dat in een open plan met minimale compartimentering, waar functies niet strikt gescheiden zijn maar in elkaar overlopen.
Ook in structuur en materialiteit is de consequentie groot. De constructie is het ontwerp: wat draagt en verbindt, bepaalt tegelijk het beeld en de ruimte. Details worden herleid tot het noodzakelijke en functioneren als schakels in een groter geheel. Materialen – beton, hout en glas – verschijnen in hun eerlijke, onopgesmukte vorm, terwijl daglicht als ordenend en ritmerend element de ruimte mee structureert. Vast meubilair is daarbij geen toevoeging, maar architectuur: het stuurt beweging, gebruik en verblijf. Zelfs functionele elementen zoals waterspuwers, goten, uitsparingen of haardpartijen krijgen een expressieve rol – een soort functionele ornamentiek zonder decoratie. Onderliggend schuilt een filosofie van reductie en intensiteit. Lampens’ architectuur is een “afwezige aanwezigheid”: elementen zijn tot hun essentie teruggebracht, maar precies daardoor ondersteunen ze het geheel des te sterker. De poëtische kracht ontstaat niet uit gebaren of symboliek, maar uit verhoudingen, lichtval en materialiteit, een gevoelsmatige expressie die sober is in middelen, maar rijk in ervaring.
Vorm & ruimtelijkheid
Structuur, materiaal & constructieve logica
Filosofie & poëtiek
Het open plan vormt bij Lampens de ruimtelijke basis van zijn woonconcept, waarin verschillende functies samenkomen binnen één doorlopende ruimte. Zie W – Wonen.
Proportie is bij Lampens geen maat of stijl, maar een ruimtelijk principe dat ontstaat uit relaties: lijn, licht, oriëntatie, ritme en doorzicht. Proportie is de ervaren orde, waarin groot en klein samenvallen. Het is ontwerp dat ruimte structureert zonder muren, via leesbaarheid, beweging en materiële afdruk.
In de bibliotheek vertaalt Lampens proportie naar infrastructuur van de blik en circulatie. De voorgevel is een compositie van driehoek en vierkant die richting en schaal bepalen. De buitentrap vormt een verticale as die licht vangt en oriëntatie structureert. De uitsparing op het eerste bordes legt een precieze visuele relatie met het kerkplein en de Sint-Amanduskerk. Binnen structureren vijf daklichten de open kamer via ritmische lichtcirkels. De balie uit drie oregon-balken bewaakt zichtlijnen. Boekenplanken met ongelijke lengtes en verschoven posities produceren maatgevende ritmes. Proportie is hier ontwerp én ervaring.
Lampens schreef een soort van manifest over proporties:
(…)
PROPORTIES ZIJN DE ONGRIJPBARE GEBAREN, DE NIET-CONVENTIONELE OERTAAL WAARMEE DE MENS MET HET LEVEN COMMUNICEERT.
Proporties liggen niet in wiskundige of decoratieve ontmoetingen met knipoogeffect; liggen niet in het gerationaliseerde, het gestroomlijnde, het afgebakende, het beperkte, het lieve, het fraaie, het charmante … verbazing van één ogenblik.
Proporties liggen in het ongrijpbare leven dat dode-materialen driftig laadt tot HEELHEID: verwondering voor altijd: wezen van mens-schaligheid =GROOTS-SCHALIGHEID.
P R O P OR T I E
is geen maat
is geen gewicht
is geen vorm
is geen gedachte
is geen gewilde ordening – IS ORDENING UIT ZICHZELF
is niet groot of klein – IS GROOT EN KLEIN – IS GROOTS
is niet zwaar of licht – IS GEWICHTLOOS – NIET GEWICHTIG
is niet veel of weinig – IS ALLES
is niet begin of eind – IS BEGIN EN EIND – GRENZELOOS
is niet gevoel of logica – IS GEVOELSMATIGE LOGICA
is niet kenbaar is niet bruikbaar – IS BELEEFBAAR
is nu en vroeger en morgen – IS ALTIJD
is nieuw en oud – IS NIEUWER DAN NIEUW, OUDER DAN OUD
is onveranderlijk, is hernieuwbaar, niet kopieerbaar
is geen wetenschap
is geen techniek
is geen doel
is geen doelmatigheid
is geen matigheid
is geen mode
is geen tendens
is niet bepaald – IS BEPALEND
is geen oplossing
is geen luxe – IS WEELDE IN EENVOUD
is intrinsieke waarde
is niet-substantiÎle substantie
is lichamelijkheid door geest verwekt
is afwezige aanwezigheid – verrijkend bezit
is ontgrenzing van ruimte in ruimtelijkheid
is buitengewoon gewoon
Proporties prikkelen het oog, kittelen het gevoel, tergen het verstand, bevredigen de geest.
PROPORTIES ZIJN DE WIJSHEID VAN DE DINGEN: S T I L T E
Proporties, de ritmische spanning die rust verwekt: harmonie
PROPORTIES BETEKENEN VREUGDE IN TRAGIEK, WANT HEIMWEE NAAR GINDS
gepubliceerd in Paul Vermeulen. Juliaan Lampens, and Gerard Vandenhaute, Juliaan Lampens 1950-1991 (Antwerpen: deSingel, 1991): pp 62-63.
In zijn eigen woorden sprak Juliaan Lampens meermaals over de bibliotheek: over het ontwerp, de plek en zijn visie op architectuur. Hieronder volgen enkele uitspraken waarin hij zijn ideeën en intenties rond dit gebouw verwoordt.
“Elke architect maakt automatisch een blijvende tentoonstelling. Elk gebouw is een sculptuur.” – Juliaan Lampens, 2009
“De pastoor gaf mij de vrije loop” – Juliaan Lampens, 2015
“Ik zou er mijn archief in onderbrengen, omdat het er ideaal voor geschikt is: beneden kun je tentoonstellingen maken, boven kun je er een werkplaats van maken, om maquettes te bouwen bijvoorbeeld. Je kunt boven werken zonder beneden te storen.” – Juliaan Lampens, 2015
“Daarom is mijn architectuur: Wat moet
Wat niet mag
Wat er moet zijn, moet er mogen zijn.
Oprechtheid in het beheersen van materialen gekruid met verzuiverde proporties
(bouwkundige ontmoetingen), die een gevoelsmatige expressie zijn. Architectuur moet episch
en lyrisch zijn en daardoor een frisse warmte achterlaten.”– Juliaan Lampens, 2002
“In mijn werk zitten verborgen details die mijn architectuur bepalen. De geborgen details van mijn ziel zijn niet te ontginnen” – Juliaan Lampens, 2002
Na de sluiting van de bibliotheek in 2014 werd het gebouw eind 2015 verkocht, maar het stond jarenlang leeg. De groeiende (inter)nationale waardering voor Lampens’ werk leidde op 11 september 2017 tot de bescherming als monument.
Sinds 2022 is het opnieuw in publieke handen. De gemeente Nazareth-De Pinte verkreeg een erfpacht van 25 jaar en engageerde zich om het gebouw nieuw leven te geven. In 2025 kreeg het ook de status ‘Open Erfgoed in Ontwikkeling’: een label dat niet alleen de erfgoedwaarde bevestigt, maar ook een stimulerend kader biedt voor herbestemming en publiekswerking.
Eind 2026 start de restauratie naar de oorspronkelijke staat van 1970. Voor deze opdracht werd Callebaut Architecten aangesteld, een bureau met langdurige ervaring in restauratie van historisch erfgoed. Wouter Callebaut begeleidt het project met grote zorg voor authenticiteit en toekomstbestendigheid “De bibliotheek van Eke vraagt geen vernieuwing door toevoeging, maar door zorg. Restaureren betekent hier: het oorspronkelijk idee terug scherpstellen van Julien Lampens – het licht, de proporties, het gedeeld perspectief. Door terug te keren naar wat dit gebouw was, kan het opnieuw worden wat het altijd bedoeld is: een publieke kamer voor het dorp, open voor denken, ontmoeten en verbeelden. Niet als erfgoed dat stilstaat, maar als ruimte die blijft bewegen.” Hierdoor begint het gebouw aan een nieuw hoofdstuk: van stille leesplek naar een hub voor kunst en architectuur.
Na de sluiting van de bibliotheek in 2014 werd het gebouw eind 2015 verkocht, maar het stond jarenlang leeg. De groeiende (inter)nationale waardering voor Lampens’ werk leidde op 11 september 2017 tot de bescherming als monument.
Sinds 2022 is het opnieuw in publieke handen. De gemeente Nazareth-De Pinte verkreeg een erfpacht van 25 jaar en engageerde zich om het gebouw nieuw leven te geven. In 2025 kreeg het ook de status ‘Open Erfgoed in Ontwikkeling’: een label dat niet alleen de erfgoedwaarde bevestigt, maar ook een stimulerend kader biedt voor herbestemming en publiekswerking.
Midden 2026 start de restauratie naar de oorspronkelijke staat van 1970. Voor deze opdracht werd Callebaut Architecten aangesteld, een bureau met langdurige ervaring in restauratie van historisch erfgoed. Wouter Callebaut begeleidt het project met grote zorg voor authenticiteit en toekomstbestendigheid “De bibliotheek van Eke vraagt geen vernieuwing door toevoeging, maar door zorg. Restaureren betekent hier: het oorspronkelijk idee terug scherpstellen van Julien Lampens – het licht, de proporties, het gedeeld perspectief. Door terug te keren naar wat dit gebouw was, kan het opnieuw worden wat het altijd bedoeld is: een publieke kamer voor het dorp, open voor denken, ontmoeten en verbeelden. Niet als erfgoed dat stilstaat, maar als ruimte die blijft bewegen.” Hierdoor begint het gebouw aan een nieuw hoofdstuk: van stille leesplek naar een centrum voor kunst, architectuur, reflectie en ontmoeting
Vanuit het eerste contact met de opdrachtgever plant Juliaan Lampens een bezoek aan het terrein, dat tegelijk een kennismaking met de omgeving inhoudt. In dat vroege stadium ontstaat reeds wat Lampens zelf een “gestalte” noemt: een eerste ruimtelijke structuur die hij vrijwel onmiddellijk vertaalt in schetsen. Lampens noemt deze zijn embryonale schetsen. Daarna volgen verdiepende gesprekken met de bouwheer, waarin noden, gewoontes en levenswijze worden besproken. Op basis daarvan ontwikkelt Lampens een voorontwerp, met aandacht voor stedenbouwkundige voorschriften. Dat voorontwerp bestaat uit horizontale en verticale sneden die vorm, constructie en ruimtelijke logica expliciet maken. Ook een eerste raming maakt hier deel van uit.
Lampens verkiest schetsen boven maquettes: tekenen laat hem proportie en ruimte direct toetsen. Naast deze ontwerppraktijk ontwikkelde hij een uitgebreide reeks vrije oefeningen. Embryonale architectuurschetsen vormen een overgang tussen figuurtekeningen en architectuur. Het schilderen van aquarellen op bierkaartjes, in uiteenlopende formaten, werd doorheen zijn leven een dagelijkse praktijk. In tegenstelling tot zijn architectuur werkt hij hier met kleur en sensuele, vloeiende vormen. Deze tekeningen functioneren als een autonoom denkveld, waarin beweging en gebaar ontstaan en later ruimtelijk worden vertaald. Ook voor de bibliotheek maakte Lampens dergelijke schetsen, waarin hij de eerste ruimtelijke structuur aftast: de sculpturale massa, de positionering van de trap als organiserend element, en de verhouding tussen gesloten volumes en openingen.
In veel van Lampens’ architectuur neemt de tafel een sleutelpositie in en vormt ze, naast de keuken of het sanitair, één van de weinige vaste elementen in een verder open ruimte. Opvallend is haar hoogte: Lampens ontwierp zijn tafels lager dan gebruikelijk, zodat wie eraan zit hetzelfde zicht behoudt op ruimte en landschap als iemand die in een zetel zit. De tafel wordt zo geen hiërarchisch meubel, maar een gedeeld vlak waar lezen, werken, ontmoeten en verblijven samenkomen. In de bibliotheek is de tafel tegelijk balie en werkplek, en vormt ze, naast het organisch vormgegeven toiletvolume, het enige vaste element dat de ruimte structureert.
Bij Juliaan Lampens stopt het ontwerp niet bij het plan. Ontwerpen en bouwen vormen één doorlopend proces, waarin ook tijdens de uitvoering beslissingen worden genomen. Op de werf gebeurden vaak nog aanpassingen – een plek waar ruimte, materiaal en gebruik verder werden aangescherpt. Ook de bibliotheek draagt die werkwijze in zich. Het gebouw is geen vertaling van een vooraf vastgelegde vorm, maar het resultaat van een zorgvuldig uitgevoerde zoektocht, waarin ontwerp en uitvoering elkaar voortdurend beïnvloeden.
Bij Juliaan Lampens verschijnt volume vaak als een sculpturale massa die voortkomt uit context en gebruik, niet uit formele expressie. Zijn gebouwen trekken zich terug van de straat en openen zich naar licht, landschap en uitzicht. Die sculpturale massa ordent en beschermt, zonder zichtbaarheid na te streven. In de bibliotheek van Eke vertaalt dit zich in een gesloten buitenvorm die intern een open, gedeelde ruimte mogelijk maakt. Zie ook E – Exterieur.
Lampens is niet alleen belangrijk vanwege de gedurfdheid van zijn vormen, maar ook vanwege zijn radicale herdenken van het wonen. Centraal staat het beperken van muren en het creëren van een extreme openheid in de woning. Zijn woonconcept vertrekt vanuit een open plattegrond zonder dragende binnenmuren, waarin keuken, leefruimte, slaapplaatsen en badkamer samenkomen in één doorlopende ruimte onder het dak. Slechts een minimum aan vaste elementen structureert het interieur. Slaapplaatsen worden gevormd door bedden met aanpalende kastelementen, die als losse ‘slaapniches’ functioneren. Omdat deze niet vast in de vloer zijn verankerd, blijft de ruimte voortdurend herschikbaar.
Privacy is geen vaststaand gegeven, maar een gradatie die kan verschuiven naargelang gebruik en moment. Lampens streeft naar een maximale openheid die het samenleven stimuleert en traditionele hiërarchieën binnen het gezin relativeert. Het wonen wordt ontdaan van burgerlijke representatie en teruggebracht tot een elementaire leefstructuur. De woning fungeert in de eerste plaats als beschutting: een gedeelde ruimte waarin samenleven, aanwezigheid en gebruik primeren op afzondering en individualiteit.
Diezelfde woonlogica past Lampens ook toe in de bibliotheek van Eke. Het open plan wordt hier vertaald naar een publieke context, waarin de bibliotheek functioneert als een dorpskamer. Door de compacte, open structuur voelde iedereen zich er thuis. De architectuur liet uiteenlopende vormen van gebruik toe: overdag als leeszaal, ’s avonds als ontmoetingsplek voor vergaderingen, jeugdwerking of gymnastiek. Die flexibiliteit is een rechtstreeks gevolg van het ontwerp: één doorlopende ruimte zonder compartimenten, leesbaar in zones en geschikt voor gedeeld gebruik zonder dat er iets hoefde te worden uitgelegd.
Xerox brengt het papieren spoor van het ontwerp samen: kopieën, fotokopieën en andere documentsporen. Fragmenten van plannen, snedes en notities worden hier samengebracht en bewaard als leesbare afdrukken van het ontwerpproces rond de bibliotheek.
In 1947 kocht hij zijn eerste exemplaar van L’Architecture d’Aujourd’hui, een tijdschrift dat voor Juliaan Lampens een belangrijke stimulans en inspiratiebron zou worden. Via dit blad maakte hij onder meer kennis met het werk van Oscar Niemeyer, dat hij toen bijzonder wist te appreciëren. Projecten zoals het Braziliaanse paviljoen op de New York World’s Fair (1940) en de Yacht Club van Pampulha (1942) werden er uitgebreid in gepresenteerd, met plannen, doorsneden en detailtekeningen. Die vroege kennismaking werkte vooral door in Lampens’ omgang met beton als autonoom materiaal, wat in de bibliotheek zichtbaar wordt in het organisch gevormde betonnen gegoten terras (maar ook in het houten toiletmeubel).
De architectuur van Juliaan Lampens ontstond binnen een naoorlogse Belgische tijdgeest, gekenmerkt door herstel en een zekere terughoudendheid tegenover vernieuwing. In tegenstelling tot de buurlanden, waar het modernisme sneller doorbrak, bleef het in België lange tijd marginaal. De architectuur greep opnieuw naar traditionele vormen; nieuwe technieken en open woonconcepten werden maar moeizaam aanvaard. Ook Lampens bouwde aanvankelijk eerder traditioneel, zowel uit economische noodzaak als in lijn met de verwachtingen van zijn opdrachtgevers.
Die houding verschuift pas in de tweede helft van de jaren 1950. Expo 58 vormt daarbij een cruciaal kantelpunt. Moderniteit wordt er voor het eerst op grote schaal zichtbaar en ervaarbaar voor een breed publiek. Nieuwe materialen, open plattegronden en een andere relatie tussen ruimte, licht en landschap worden niet langer uitsluitend geassocieerd met avant-garde of theorie, maar worden denkbaar binnen het alledaagse wonen en gebruik. Ook de doorsnee Belg maakt zo kennis met een andere ruimtelijke verbeelding. Pas na Expo 58 ontwikkelt Lampens een uitgesproken moderne architectuur. Hij positioneert zich binnen die veranderende tijdgeest, maar vertaalt haar op een ingetogen en persoonlijke manier. Niet de belofte van de toekomst staat centraal, maar de onmiddellijke ervaring van ruimte, licht en gebruik.
De bibliotheek van Eke past binnen diezelfde verschuiving. Voor Juliaan Lampens draaide het hier niet om het boek op zich, maar om ontmoeting. Naast een open ruimte ontwierp hij vast meubilair dat uitnodigde tot verblijf en gesprek. De bibliotheek functioneerde als een dorpskamer: een plek waar bewoners samenkwamen, lazen en elkaar ontmoetten. In dit type dorpsbibliotheken ging het minder om grote collecties en meer om basislectuur voor de lokale gemeenschap. Dat sluit aan bij een traditie waarin gemeenten sinds de jaren 1920 een openbare bibliotheek organiseerden, vaak ondergebracht in een school, gemeentehuis of parochiezaal. Als dorpsbibliotheek werd het gebouw in Eke consequent ontworpen rond zijn gebruik: flexibel, open en sociaal. Getuigenissen tonen hoe de bibliotheek tegelijk leeszaal, ontmoetingsplek en jeugdruimte was. In die zin was deze kleine bibliotheek haar tijd vooruit: een vroege voorloper van de open bibliotheek, waarin gebruik en ontmoeting even belangrijk zijn als de collectie zelf.